In dit practicum voor klas 2 HAVO bekijk je microscopische preparaten van de vier basisweefseltypen: epitheel-, verbindings-, spier- en zenuwweefsel. Je identificeert structuurkenmerken en koppelt die aan de functie in het menselijk lichaam.
Na dit practicum kun je de vier basisweefseltypen herkennen aan structuurkenmerken, de bijbehorende functies beschrijven, cellen die typisch zijn voor elk weefseltype benoemen, en het verband leggen tussen structuur en functie op weefselniveau.
Niveau: HAVO klas 2 | Vak: Biologie | Domein: O (orgaan- en organismeniveau) | Epitheel, verbindingsweefsel, spierweefsel, zenuwweefsel, histologie, cel, functie
Weefsels zijn groepen van gelijkwaardige cellen met gespecialiseerde functie:
V1: Dwarsgestreepte spiervezels zijn meerkernig (syncytium) omdat ze tijdens de embryonale ontwikkeling zijn gevormd door fusie van vele afzonderlijke myoblasten (voorlopercellen van spiercellen). Elke myoblast brengt één celkern mee. De fusie maakt de lange, contractile vezel die de grote krachten van skeletspieren kan leveren.
V2: Zenuwcellen moeten elektrische impulsen over grote afstanden geleiden (van hersenen naar spieren, soms meer dan een meter). Lange axonen verminderen de tijd voor transmissie en maken snelle communicatie mogelijk. De myeli-neschede rondom het axon versnelt de geleiding verder (salterende geleiding via Ranvier-insnoeringen).
V3: Overeenkomst: beide bevatten vezelvormige eiwitten (collageen in bindweefsel; actine/myosine in spierweefsel). Verschil: bindweefsel geeft structuur en verbindt organen (niet-contractiel); spierweefsel is actief contractiel en genereert beweging.
Labvakhandel levert permanente histologiepreparaten, lichtmicroscopen en tekenopdrachtensets voor histologiepraktika in het voortgezet biologieonderwijs.
Bekijk het assortiment of neem contact op voor advies.
Ontdek alle practica in de Labvakhandel kennisbank — voor biologie, scheikunde en natuurkunde.
Inloggen
Wachtwoord vergeten
Account aanmaken
Uw winkelwagen is leeg.