Roeren en mengen in het laboratorium

Roeren is in elk laboratorium een dagelijkse handeling, maar de keuze voor de juiste methode en het juiste apparaat is minder vanzelfsprekend dan het lijkt. De bewegingsvorm, het toerental, de viscositeit van het monster en de temperatuur bepalen samen of menging snel, uniform en reproduceerbaar verloopt — of juist niet. Op deze pagina gaan we diep in op de fysica van roeren, de werking van de belangrijkste apparaattypen en de factoren die de keuze bepalen. Voor schudders en rotatoren verwijzen we naar het aparte artikel over laboratoriumrotatoren en schudders.

Schematisch overzicht van magneetroerder, hotplate stirrer, overhead roerder en vortexmenger

Wat is mengen — en wanneer is het volledig?

Mengen is het homogeniseren van twee of meer stoffen tot een uniform mengsel. In de laboratoriumpraktijk gaat het vrijwel altijd om het verdelen van opgeloste stoffen, vaste deeltjes of gassen door een vloeistof. Volledige menging is bereikt wanneer de concentratie van elke component overal in het vat gelijk is — er zijn geen gradiënten meer in concentratie, temperatuur of dichtheid.

In de praktijk wordt menging gestuurd door twee transportmechanismen:

  • Convectief transport: bulkstromingen verplaatsen vloeistofmassa's over grote afstanden. Dit is het dominante mechanisme bij actief roeren en bepaalt de globale uniformiteit.
  • Diffusief transport: moleculen bewegen door de oplossing op basis van concentratieverschillen (de wet van Fick). Dit is het dominante mechanisme op moleculaire schaal en is bij kamertemperatuur in waterige oplossingen langzaam: de diffusiecoëfficiënt van een kleine ion in water is circa 10⁻⁹ m²/s, wat betekent dat een ion er gemiddeld tientallen seconden over doet om 1 mm af te leggen.

Actief roeren versnelt het convectief transport en verkort de diffusieafstanden door het monster op te breken in steeds kleinere volumes. Een goed gemengd systeem bereikt uniformiteit niet doordat de diffusie sneller is, maar doordat de te overbruggen afstanden kleiner zijn geworden.

Viscositeit: de sleutelvariabele

Viscositeit is de weerstand die een vloeistof biedt tegen stromingsvervorming. In praktische termen: hoe hoger de viscositeit, hoe moeilijker de vloeistof stroomt en hoe meer kracht er nodig is om te roeren. Viscositeit is de variabele die meer dan welke andere de keuze van apparaat, roerblad en toerental bepaalt.

Dynamische en kinematische viscositeit

De dynamische viscositeit η (eta) beschrijft de inwendige wrijving van een vloeistof en wordt uitgedrukt in Pascal·seconde (Pa·s) of de verouderde eenheid centipoise (cP), waarbij 1 cP = 1 mPa·s. De kinematische viscositeit ν (nu) is de dynamische viscositeit gedeeld door de dichtheid: ν = η/ρ, uitgedrukt in m²/s of de verouderde eenheid centistokes (cSt). In de laboratoriumpraktijk wordt bijna altijd de dynamische viscositeit gebruikt.

Referentiewaarden voor veelgebruikte laboratoriumvloeistoffen bij 20 °C:

VloeistofDynamische viscositeit (mPa·s)
Water (20 °C)1,00
Ethanol (20 °C)1,20
Glycerol (20 °C)≈ 1 400
Glycerol (0 °C)≈ 12 000
Honing2 000 – 10 000
Polyethyleenglycol 400≈ 90
Dimethylsulfoxide (DMSO)2,00
Aceton0,32

Newtoniaanse en niet-newtoniaanse vloeistoffen

Bij newtoniaanse vloeistoffen — water, de meeste organische oplosmiddelen, dunne bufferoplossingen — is de viscositeit onafhankelijk van de schuifspanning: roer je harder, dan stroomt de vloeistof evenredig sneller. Bij niet-newtoniaanse vloeistoffen is dit niet het geval. Er zijn twee relevante typen voor de laboratoriumpraktijk:

  • Schuifverdunnend (pseudoplastisch): de viscositeit daalt naarmate de schuifsnelheid toeneemt. Voorbeelden: polymeeroplossingen, celcultures met hoge celdichtheid, sommige eiwitoplossingen. Gevolg: de vloeistof wordt dunner bij intensief roeren, maar springt terug naar hogere viscositeit zodra het roeren stopt.
  • Schuifverdikkend (dilatant): de viscositeit neemt toe bij hogere schuifsnelheid. Voorbeelden: geconcentreerde zetmeelsuspensies, sommige nanopartikeloplossingen. Gevolg: te intensief roeren kan leiden tot vastlopen van het roerblad of schade aan het monster.
  • Thixotroop: de viscositeit daalt bij aanhoudende schuifkracht en herstelt na rust. Voorbeelden: sommige gels, agarose vlak boven het stollingspunt. Dit gedrag is tijdsafhankelijk en maakt roergedrag moeilijker te voorspellen.

Temperatuurafhankelijkheid van viscositeit

Viscositeit is sterk temperatuurafhankelijk — voor de meeste vloeistoffen geldt: hogere temperatuur = lagere viscositeit. Dit verband wordt goed beschreven door de Arrhenius-relatie voor vloeistoffen:

η = A · e(Ea/RT)

Waarbij Ea de activeringsenergie voor visceuze stroming is, R de gasconstante (8,314 J/mol·K) en T de absolute temperatuur in Kelvin. Voor water geldt specifiek:

TemperatuurDynamische viscositeit water (mPa·s)
0 °C1,79
20 °C1,00
37 °C0,69
60 °C0,47
80 °C0,35
100 °C0,28

De viscositeit van water daalt dus met een factor 6,4 tussen 0 °C en 100 °C. Dit heeft directe gevolgen voor de laboratoriumpraktijk:

  • Oplossingen bereid bij 60–80 °C stromen aanzienlijk gemakkelijker dan bij kamertemperatuur — een lager toerental volstaat voor dezelfde mengintensiteit.
  • Koude buffers (4 °C of kouder) zijn visceuzer dan buffers op kamertemperatuur; hetzelfde toerental geeft bij 4 °C minder effectieve menging.
  • Glycerolhoudende oplossingen — gebruikelijk als cryoprotectant — zijn bij -20 °C vrijwel vloeibaar maar bij -80 °C glasachtig stijf. Ontdooien bij kamertemperatuur is essentieel voor effectief roeren.
  • Bij verwarmingsplaten met magneetroerder: de viscositeit van het monster daalt tijdens verhitting, waardoor de magnetische roerstaaf bij hetzelfde toerental steeds intensiever roert. Dit kan bij gevoelige reacties ongewenst zijn — verlaag het toerental naarmate de temperatuur stijgt.

Voor organische oplosmiddelen is de viscositeitsafhankelijkheid doorgaans minder sterk dan voor glycerol of polyolen, maar nog altijd significant. Aceton heeft bij 20 °C een viscositeit van 0,32 mPa·s — al dunner dan water — en wordt bij 40 °C nog dunner (≈ 0,27 mPa·s).

Het getal van Reynolds: laminair of turbulent?

De aard van de stroming bij roeren — laminair of turbulent — bepaalt in hoge mate de mengefficiëntie. Dit wordt beschreven door het dimensieloze getal van Reynolds (Re):

Re = (ρ · N · D²) / η

Waarbij ρ de dichtheid van de vloeistof is (kg/m³), N het toerental van het roerblad (omwentelingen per seconde), D de diameter van het roerblad (m) en η de dynamische viscositeit (Pa·s).

  • Re < 10: volledig laminaire stroming. De vloeistof beweegt in ordelijke lagen zonder menging tussen de lagen. Dit treedt op bij hoge viscositeit, lage toerentallen en kleine roerbladen. Menging vindt vrijwel uitsluitend door diffusie plaats — traag en onvolledig voor grote volumes.
  • 10 < Re < 10 000: overgangsgebied. Stromingspatronen zijn complex; menging is matig. In de laboratoriumpraktijk het meest voorkomende regime bij magneetroerders in bekers met waterige oplossingen.
  • Re > 10 000: volledig turbulente stroming. Chaotische wervelingen zorgen voor snelle, intensieve menging. Bereikbaar bij hoge toerentallen, grote roerbladen en lage viscositeit.

In de laboratoriumpraktijk betekent dit concreet: bij het roeren van een waterige buffer in een bekerglas van 500 ml met een standaard magneetroerstaaf van 5 cm bij 300 rpm is Re typisch in de orde van 500–2000 — overgangsgebied, redelijk goede menging. Bij hetzelfde toerental in een glyceroloplossing van 80% is Re slechts in de orde van 1–5 — volledig laminair, menging nauwelijks.

Magneetroerder: werking en toepassingen

De magneetroerder (magnetic stirrer) is het meest gebruikte roerapparaat in het analytisch en preparatief laboratorium. Het principe is eenvoudig: een elektromotor drijft een draaiend magneet aan onder het platform; een magneetroerstaafje — een permanent magneet in een PTFE-coating — volgt dat veld en roteert mee in het vat.

Opbouw en varianten van de magneetroerstaaf

De magneetroerstaaf (stir bar, flea) is verkrijgbaar in een reeks vormen die elk een ander stromingsprofiel geven:

  • Cilindrisch (ovaal): de meest gebruikte vorm. Geschikt voor bekers, erlenmeyers en rondbodemkolven van 10 ml tot 2 L. Geeft goede radiale stroming maar beperkte axiale menging.
  • Octagonaal: beter bodemcontact bij onregelmatig gevormde vaten. Iets intensievere menging dan de cilindrische staaf bij hetzelfde toerental.
  • Kruisvormig: voor grote volumes; betere axiaalmenging door de asymmetrische geometrie.
  • Micro stir bar: voor volumes van 0,5–5 ml in buizen en reactievaatjes. Compacte geometrie past in nauwere buizen.
  • Egg-shaped / spinbar: elliptisch profiel voor verhoogde turbulentie bij matige toerentallen.

De PTFE-coating is chemisch inert tegenover vrijwel alle organische oplosmiddelen, zuren en basen, maar slijt bij intensief gebruik met abrasieve vaste stoffen. Versleten coating kan metaalcontaminatie in het monster veroorzaken — wissel staafsjes regelmatig en controleer op beschadigingen.

Een zesde variant die minder vaak wordt vermeld maar in visceuze media relevant is, is de H-bar (ook wel retriever-staaf of ring-staaf): een PTFE-staaf met een centrale dwarsrib of ringvorm die de magnetische koppeling bij hogere weerstand verbetert. De H-bar is geschikt voor oplossingen met lichte suspensies of voor media waarbij een cilindrische staaf te snel loskoppelt, zonder dat de sprong naar een overhead roerder noodzakelijk is.

Vormen van magneetroerstaafjes (vlooien) en overhead roerbladen met stromingsprofielen

Bij de keuze van de staafvorm gelden drie praktische vuistregels: gebruik de kleinste staaf die nog voldoende menging geeft (minder massa = minder kans op loskoppelen), kies een octagonale of kruis-staaf bij onregelmatige vatbodems (beter bodemcontact), en gebruik een micro-staaf in buizen en vials in combinatie met een multistirrer die meerdere posities tegelijk aandrijft.

Toerental en vortexvorming

Bij lage toerentallen (50–200 rpm voor waterige vloeistoffen) is de stroming laminair en geordend. Naarmate het toerental toeneemt, ontstaat er een vortex: de vloeistof in het midden zakt weg doordat de centrifugaalkracht de vloeistof naar buiten duwt. Een vortex is nuttig — het vergroot de menglengtes en versnelt de overdracht van opgeloste gassen aan het vloeistofoppervlak — maar bij te hoge vortex treden problemen op:

  • Luchtinname aan het oppervlak leidt tot belvorming, ongewenst bij gevoelige enzymen of eiwitten.
  • Bij een rondbodemkolf op een magneetroerder kan de staaf loskoppelen van het magneetveld (springen) bij te hoge toerentallen.
  • Bij bekers met vaste deeltjes kan een te sterke vortex de deeltjes naar buiten centrifugeren in plaats van ze in suspensie te houden.

De optimale instelling is het laagste toerental waarbij de vortex net de bodem bereikt — dit geeft maximale axiale menging zonder luchtinname of loskoppeling.

Wanneer werkt een magneetroerder niet?

De magneetroerder heeft duidelijke grenzen. Gebruik geen magneetroerder bij:

  • Hoog-visceuze vloeistoffen (η > 50–100 mPa·s): de magnetische koppeling is niet sterk genoeg om de roerstaaf op gang te houden. De staaf springt los, draait onregelmatig of staat stil.
  • Volumes boven circa 5 L: de menglengte van een magneetstaaf is beperkt; grote volumes worden niet uniform gemengd.
  • Vaste deeltjes met hoge concentraties: abrasieve deeltjes slijten de PTFE-coating; hoge deeltjesconcentraties hinderen de rotatie. Gebruik voor suspensies een overhead roerder met een schijf- of propellerblad.
  • Ferromagnetische materialen in het monster: de roerstaaf trekt ferromagnetisch materiaal aan en verliest koppeling. Dit speelt bij sommige katalysatoren (nikkel, ijzer, kobalt).
  • Monsters in autoclaaf of microwave: PTFE-staafsjes verdragen autoclaveren (121 °C, 1 bar) goed, maar sommige kleuren kunnen uitlogen. Raadpleeg de fabrikant.

Verwarmingsplaat met magneetroerder (hotplate stirrer)

De verwarmingsplaat met magneetroerder combineert een keramisch of aluminium verwarmingselement met een ingebouwde roterende magneet. Dit maakt gelijktijdig verwarmen en roeren mogelijk — essentieel bij oplossen van moeilijk oplosbare vaste stoffen, het bereiden van agarose, het koken van buffers of het uitvoeren van reacties bij verhoogde temperatuur.

Keramisch vs. aluminium verwarmingsvlak

  • Keramisch: chemisch resistent, bestand tegen geconcentreerde zuren en basen, glad oppervlak. Lagere thermische geleidbaarheid dan aluminium: langzamer opwarmen maar uniforme temperatuurdistributie. Maximale temperatuur typisch 340–500 °C.
  • Aluminium: hogere thermische geleidbaarheid, snellere reactie op temperatuurwijzigingen. Minder chemisch resistent — spatten van geconcentreerd zuur kunnen het oppervlak aanvallen. Maximale temperatuur typisch 300 °C.

Temperatuurregeling: externe voeler essentieel

De ingebouwde temperatuursensor van een hotplate meet de temperatuur van het verwarmingsvlak, niet van het monster. Bij gebruik van een oliebad of waterbad als tussenmedium kan het monster 20–50 °C koeler zijn dan de ingestelde vlaktemperatuur. Gebruik altijd een externe Pt100- of thermocouple-voeler gedompeld in het monster voor nauwkeurige temperatuurregeling. Meer over de werking en het meetbereik van PT100, NTC en thermokoppels leest u in het artikel over temperatuurmeting in het laboratorium. Moderne hotplates hebben daarvoor een externe voeleringang. Zonder externe voeler is de temperatuur van het monster in het beste geval een schatting.

Veiligheid bij hoge temperaturen

Bij verhitting boven 100 °C geldt: zorg voor een terugslagkoeler of een luchtkoeler om verdamping te beperken. Bij ontvlambare oplosmiddelen is werken op een hotplate in open lucht niet toegestaan — gebruik een waterbad of siliconenoliebad als verwarmingsmedium en werk in een zuurkast. Houd een minimale vloeistofhoogte in het vat aan om droogkoken te voorkomen.

Overhead roerder: voor grote volumes en hoge viscositeit

Een overhead roerder (ook: mechanische roerder, top-drive stirrer) bestaat uit een elektromotor die via een as een roerblad aandrijft dat in het vat is gedompeld. In tegenstelling tot de magneetroerder is de koppeling direct mechanisch: er is geen magnetisch grensvlak dat kan bezwijken bij hoge belasting.

Toerentallen en koppel

Overhead roerders zijn beschikbaar in een breed vermogensbereik: van kleine modellen voor volumes van 0,1–5 L bij toerentallen van 20–2000 rpm, tot industriële modellen voor honderden liters bij lage toerentallen met hoog koppel. Het koppel (Nm) — de draaimoment-capaciteit — is de relevante parameter bij hoog-visceuze toepassingen, niet het toerental. Een roerder met hoog maximaal toerental maar laag koppel springt vast in een glycerolrijke oplossing even goed als een magneetroerder.

Roerbladen en stromingsprofielen

Het roerblad bepaalt het stromingsprofiel en daarmee de mengefficiëntie voor een specifieke toepassing. De zes meest gebruikte typen in het laboratorium, in oplopende volgorde van viscositeitsbereik:

  • Propellerblad (scheepsschroef): axiale stroming — duwt de vloeistof omlaag langs de as en trekt hem omhoog langs de wand. Effectief bij lage tot matige viscositeit voor grote volumes. Twee- of drieblad uitvoering, pitch 45° typisch. Lage NP (≈ 0,3), energiezuinig.
  • Schoepblad (paddle): radiale stroming. Eenvoudige geometrie, geschikt voor oplossingen met vaste deeltjes en voor visceuze mengsels bij lage toerentallen. Goede bodemreiniging bij rechthoekige vaten. NP ≈ 1,5–2,5 afhankelijk van Re.
  • Ankerblad: vorm volgt de wand van het vat nauwkeurig (D/T 0,90–0,95). Minimale radiale stroming maar uitstekende warmteoverdracht naar de vatwand en bodemschraping. Standaardkeuze voor hoog-visceuze mengsels (η > 500 mPa·s) en voor gels die neigen te hechten. Bij visceuze media de meest gebruikte keuze voor verwarmingsmantels.
  • Spiraalblad (helix): voor extreem viskeuze toepassingen (pastas, gels, polymeeroplossingen). De helix-geometrie geeft axiaal transport over de volledige vathoogte — essentieel wanneer een ankerblad alleen de bodemzone beroert en de bovenkant van het vat ongemengd blijft.
  • Turbineblad (Rushton turbine): zes rechthoekige bladen op een centrale schijf. Intensieve radiale stroming, sterke turbulentie en uitstekende gasverspreiding (O₂, CO₂). Standaard in de bioprocestechnologie voor geroerde bioreactoren (STR). NP ≈ 5 bij volledig turbulente stroming — hoog energieverbruik maar maximale gasoverdracht. Op laboratoriumschaal beschikbaar voor erlenmeyer-opstelling en voor celkweek in bioreactoren.
  • Gate-roerder: rechthoekige omtrek die wand én bodem volgt. Geschikt voor hoog-visceuze producten in open vaten zonder afdichting. Vergelijkbaar met het ankerblad maar met een extra horizontale middenbalk die de axiaalmenging verbetert.

De keuze tussen deze typen is primair een viscositeitskeuze. Onderstaande tabel geeft de aanbevolen combinaties:

ViscositeitsbereikAanbevolen roerbladStromingstype
< 50 mPa·s (waterig)Propellerblad of Rushton turbineAxiaal / radiaal turbulent
50–500 mPa·sSchoepblad of propeller (laag toerental)Radiaal, overgangsgebied
500–10 000 mPa·sAnkerbladWandvolgend, laminair
> 10 000 mPa·s (gel, pasta)Spiraalblad of gate-roerderAxiaal laminair, volledige vathoogte

Verhouding roerblad tot vatdiameter

Een vuistregel: de diameter van het roerblad (D) bedraagt 30–50% van de interne vatdiameter (T). Bij D/T < 0,25 is de mengzone te klein en ontstaan dode zones bij de wand. Bij D/T > 0,6 neemt de kracht op de as sterk toe en bestaat het risico op beschadiging van het monster of het apparaat. Voor anker- en spiraalbladen ligt D/T typisch op 0,90–0,95 omdat het blad juist de wand moet schoonhouden.

Vortexmenger: intensieve menging in kleine volumes

Een vortexmenger (vortex mixer, whirlimixer) brengt een buishouder in een snelle, excentrieke beweging die een krachtige wervelstroming in het vat veroorzaakt. Dit is de snelste manier om kleine volumes (0,5–50 ml) volledig te mengen — typisch in enkele seconden.

Het werkingsprincipe: de motor drijft een excentrieke schijf aan die de vaathouder in een kleine, snelle cirkelvormige beweging brengt. De vloeistof in het vat volgt die beweging niet volledig — er ontstaat een intensieve roterende wervelstroom die het monster in zeer korte tijd homogeniseert.

Continue vs. pulse-modus

Vortexmengers werken in twee modi:

  • Continue modus: het apparaat draait continu bij het ingestelde toerental. Geschikt voor menging waarbij de operator de duur bewust instelt.
  • Touch-modus (pulse): de motor start alleen wanneer het vat tegen de houder wordt gedrukt. Hierdoor heeft de operator directe controle over de mengduur en kan korte pulsen geven (0,5–2 seconden) gevolgd door visuele controle.

Toepassingen en beperkingen

De vortexmenger is uitstekend geschikt voor:

  • Resuspenderen van neergeslagen deeltjes in microcentrifugebuisjes (1,5/2,0 ml Eppendorf).
  • Mengen van reagentia, buffers en korte PCR-reactiemixen.
  • Oplossen van vaste stoffen in kleine volumes.
  • Emulgeren van twee niet-mengbare vloeistoffen in kleine volumes.

Gebruik geen vortexmenger bij:

  • Gevoelige biomoleculen (eiwitten, DNA, celpreparaten): de hoge schuifkrachten kunnen denaturatie of fragmentatie veroorzaken. Gebruik in dat geval een rotator.
  • Volumes boven circa 50 ml: de mengkracht is onvoldoende voor grotere volumes.
  • Open vaten: het risico op spatten is hoog. Gebruik altijd gesloten vaten of breng het vat in een hoek.

Toerental, vermogen en roerbladselectie in de praktijk

De relatie tussen toerental, vermogen en viscositeit is niet lineair. Het benodigde vermogen P om een roerblad op toerental N te draaien in een vloeistof met viscositeit η en dichtheid ρ wordt beschreven door:

P = NP · ρ · N³ · D⁵

Waarbij NP het dimensieloze vermogengetal (Power number) is — een bladspecifieke constante die afhangt van het Reynolds-getal en de bladgeometrie. Voor een standaard Rushton-turbine bij volledig turbulente stroming is NP ≈ 5. Voor een propellerblad is NP ≈ 0,3. Dit betekent dat bij gelijkblijvend toerental en vatafmeting een Rushton-turbine circa 17× meer vermogen verbruikt dan een propellerblad — maar ook aanzienlijk meer turbulentie en gasverspreiding genereert.

Praktische implicaties:

  • Verdubbeling van het toerental vereist achtmaal zoveel vermogen (N³-afhankelijkheid).
  • Bij een visceuze vloeistof (hoog η, laag Re) stijgt het benodigde koppel sterk — kies een roerder met voldoende koppelspecificatie, niet alleen een hoog maximaal toerental.
  • Vergroting van het roerblad van 5 cm naar 10 cm bij gelijkblijvend toerental verhoogt het benodigde vermogen met een factor 2⁵ = 32.

Mengefficiëntie en mengtijd

De mengtijd θm — de tijd tot volledige homogenisatie — is in de turbulente stroming omgekeerd evenredig met het toerental:

θm · N = constante (≈ 30–60 voor standaard geometrieën)

Dit betekent dat bij 300 rpm de mengtijd typisch 6–12 seconden bedraagt voor een goed ontworpen opstelling. Bij 60 rpm is dat 30–60 seconden. In de laminaire stroming (hoog-visceuze vloeistoffen) schaalt de mengtijd veel ongunstiger — hier domineert diffusief transport en zijn mengtijden van minuten tot uren normaal voor uniforme verdeling over afstanden van centimeters.

Keuzegids: samenvatting

Stroomschema voor de keuze van de juiste roermethode in het laboratorium
Situatie Aanbevolen apparaat Opmerking
Waterige buffer, 10 ml – 2 L, kamertemperatuur Magneetroerder Standaardkeuze; eenvoudig en effectief
Waterige buffer + verwarmen Hotplate stirrer Externe temperatuurvoeler gebruiken
Hoog-visceus (η > 100 mPa·s), 100 ml – 20 L Overhead roerder + anker- of spiraalblad Controleer koppelspecificatie
Grote volumes (> 5 L), waterig Overhead roerder + propeller- of turbineblad Schaal roerblad op (D/T 0,3–0,5)
Kleine volumes (0,5–50 ml), snelle menging Vortexmenger Niet voor gevoelige biomoleculen
Gevoelige cellen, beads, precipitaten Rotator of wiegschudder Zie artikel rotatoren en schudders
Microbiologische kweek, erlenmeyers Orbitale schudder Zie artikel rotatoren en schudders
Suspensies met abrasieve vaste stoffen Overhead roerder + schoepblad Geen magneetstaafje — slijtage coating

Onderhoud en reproduceerbaarheid

Reproduceerbaarheid van mengcondities is in analytisch werk even belangrijk als de juiste apparaatkeuze. Houd daarvoor rekening met het volgende:

  • Noteer altijd het toerental, de positie van de magneetroerstaaf in het vat, het volume en de temperatuur als onderdeel van het protocol. Kleine variaties in toerental (±10%) of vaatpositionering kunnen de mengtijd significant beïnvloeden.
  • Magneetroerstaafsjes slijten. Weeg of meet ze periodiek en wissel ze als de coating beschadigd is.
  • Bij overhead roerders: controleer de asverbinding en de klemmen op speling. Speling in de as geeft ongelijkmatige rotatie en verhoogt de mechanische belasting op het apparaat.
  • Kalibreer het toerental van hotplates en overhead roerders regelmatig met een tachometer — de weergegeven waarde op het display wijkt bij verouderde apparatuur soms 10–20% af van de werkelijke waarde.

Assortiment bij Labvakhandel

Labvakhandel levert magneetroerders, hotplates met roerder, overhead roerders en vortexmengers voor uiteenlopende laboratoriumtoepassingen: van eenvoudige analytische opstelling tot veeleisende preparatieve toepassingen. Bekijk het volledige assortiment in de categorie roeren, schudden & mengen, of neem contact op voor advies bij de keuze van het juiste roerblad of de juiste roerder voor uw viscositeit en volume.

Bestellijst

Uw winkelwagen is leeg.