Viscosimetrie en reologie

Viscosimetrie en reologie zijn de meet- en studietechnieken waarmee het vloei- en vervormingsgedrag van vloeistoffen en zachte stoffen wordt vastgelegd. Reologie is het overkoepelende vakgebied — letterlijk de leer van het stromen — en bestudeert hoe een stof reageert op een opgelegde kracht: vloeit hij vrij als water, schuift hij traag als honing, of vertoont hij elastisch én vloeiend gedrag tegelijk, zoals tandpasta of yoghurt? Viscosimetrie is het meten van één specifieke reologische grootheid, namelijk de viscositeit. In dit artikel leest u wat reologie en viscosimetrie inhouden, welke vloeistoftypen er zijn, hoe een rheometer en een viscosimeter werken, en wat het verschil is tussen dynamische en kinematische viscositeit.

Principe van viscosimetrie en reologie: schuifspanning tussen twee platen, vloeistofgedrag in een τ-γ̇-diagram, en de meetprincipes van capillair-viscometer, rotatieviscometer en cone-plate rheometer

Wat is reologie?

Reologie is de wetenschap die de vervorming en het stromingsgedrag van materie bestudeert. De term werd in 1929 ingevoerd door de Amerikaanse scheikundige Eugene C. Bingham, en is afgeleid van het Griekse rheo (stromen) en logos (leer). Reologie wordt ook wel stromingsleer of vloeileer genoemd. Het vakgebied beslaat het continuüm tussen ideale vaste stoffen (puur elastisch) en ideale vloeistoffen (puur viskeus); de meeste praktijkmaterialen — polymeren, emulsies, suspensies, gels, voedingsmiddelen, biologische vloeistoffen — vertonen een mengvorm van elastisch en viskeus gedrag, oftewel visco-elasticiteit.

Reologie maakt deel uit van de natuurkunde, in het bijzonder de continuümmechanica, maar overlapt sterk met de fysische chemie. Of u reologie als scheikunde of natuurkunde beschouwt hangt af van de invalshoek: de meetprincipes zijn fysisch, maar de toepassing op formuleringen (farmacie, cosmetica, voedingsmiddelen, coatings) is overwegend chemisch van aard.

Wat is viscositeit?

Viscositeit is de inwendige weerstand van een vloeistof tegen stromen — een maat voor hoe "stroperig" een vloeistof is. Microscopisch gezien is viscositeit het gevolg van de wrijving tussen vloeistoflagen die ten opzichte van elkaar bewegen. Hoe sterker de moleculaire interacties (waterstofbruggen, polariteit, molecuulgrootte), hoe groter de viscositeit. Water heeft bij 20 °C een viscositeit van circa 1 mPa·s, honing rond 10.000 mPa·s, en bitumen kan oplopen tot miljoenen Pa·s.

Er bestaan twee samenhangende definities van viscositeit:

  • Dynamische viscositeit (η): de verhouding tussen schuifspanning en afschuifsnelheid. Eenheid: pascal·seconde (Pa·s), in de praktijk vaak millipascal·seconde (mPa·s). De oude eenheid centipoise (cP) is numeriek gelijk aan mPa·s.
  • Kinematische viscositeit (ν): de dynamische viscositeit gedeeld door de dichtheid van de vloeistof (ν = η/ρ). Eenheid: mm²/s, vroeger centistokes (cSt). Kinematische viscositeit wordt gemeten met capillair-viscometers, waarbij de zwaartekracht de drijvende kracht is en de dichtheid mee in het resultaat zit.

Het verschil tussen reologie en viscositeit is dat viscositeit één enkele eigenschap is, terwijl reologie het volledige vervormings- en stromingsgedrag beschrijft — inclusief elasticiteit, zwichtspanning, tijdsafhankelijk gedrag en visco-elasticiteit. Voor een Newtoniaanse vloeistof als water is één viscositeitswaarde voldoende om het reologisch gedrag volledig te karakteriseren. Voor complexere systemen als verven, polymeeroplossingen, crèmes of bloed is dat niet zo: deze stoffen hebben een viscositeit die afhangt van de afschuifsnelheid, de tijd of de voorgeschiedenis van de schuif.

Andere viscositeitseenheden

Naast de SI-eenheden komen in specifieke industrieën traditionele eenheden voor:

  • Saybolt Universal Seconds (SUS) en Saybolt Furol Seconds (SFS) — uitloop-eenheden voor minerale oliën, vooral in de Verenigde Staten. Niet rechtstreeks omrekenbaar; tabellen of empirische formules zijn nodig.
  • Engler-graden (°E) — Europese uitloop-eenheid uit de petroleumtechniek, oorspronkelijk gebaseerd op de uitlooptijd ten opzichte van water.
  • Mooney-eenheden (MU) — voor de viscositeit van onbewerkt rubber, gemeten met een Mooney-viscometer.
  • Krebs Units (KU) — gangbaar in de verfindustrie, gemeten met een Krebs-Stormer-viscometer.

Basisprincipe: schuifspanning en afschuifsnelheid

Het fundamentele model van de reologie beschrijft een vloeistof tussen twee evenwijdige platen. De bovenste plaat beweegt met een snelheid v ten opzichte van de stilstaande onderste plaat, met een vloeistoflaag van dikte h ertussen. De kracht die nodig is om de plaat per oppervlakte-eenheid te bewegen, is de schuifspanning τ (tau, in pascal). De snelheidsgradiënt door de vloeistof — v/h — is de afschuifsnelheid γ̇ (gamma-punt, in 1/s).

De relatie tussen beide grootheden is de wet van Newton voor vloeistoffen:

τ = η · γ̇

De evenredigheidsconstante η is de dynamische viscositeit. Voor een Newtoniaanse vloeistof is η een materiaalconstante die alleen van temperatuur en druk afhangt, niet van γ̇. Voor niet-Newtoniaanse vloeistoffen geldt deze evenredigheid niet en is η zelf een functie van γ̇; men spreekt dan van een schijnbare viscositeit.

Newtoniaans en niet-Newtoniaans gedrag

Het reologisch gedrag van een vloeistof wordt zichtbaar in een vloeicurve: een grafiek van schuifspanning τ tegen afschuifsnelheid γ̇. Aan de vorm van de curve is af te lezen tot welk type vloeistof het monster behoort.

  • Newtoniaans: rechte lijn door de oorsprong. De viscositeit is constant. Voorbeelden: water, glycerol, dunne minerale oliën, organische oplosmiddelen.
  • Shear-thinning (pseudoplastisch): concave curve. De viscositeit neemt af bij hogere afschuifsnelheid. Voorbeelden: polymeeroplossingen, ketchup, bloed, latexverf, shampoo. Dit gedrag is gunstig voor verwerking: het product is dik in rust, maar dunner tijdens uitgieten, roeren of pompen.
  • Shear-thickening (dilatant): convexe curve. De viscositeit neemt toe bij hogere afschuifsnelheid. Het bekendste voorbeeld is een geconcentreerde maïzena-watersuspensie ("oobleck").
  • Bingham-plastisch: rechte lijn met een verschoven nulpunt. Het materiaal vloeit pas wanneer een minimale schuifspanning — de zwichtspanning τ₀ — wordt overschreden. Voorbeelden: tandpasta, mayonaise, boorvloeistoffen, modder.
  • Thixotroop: tijdsafhankelijk shear-thinning gedrag. Bij voortgezette schuif neemt de viscositeit verder af, en het herstel naar de oorspronkelijke viscositeit kost tijd nadat de schuif is gestopt. Voorbeelden: gels, sommige verven, yoghurt. Bij thixotroop gedrag verschillen de opgaande en neergaande takken van de vloeicurve (hystereselus), wat reden is om bij karakterisering zowel de heen- als de terugcurve te meten.

Modellen voor niet-Newtoniaanse vloeistoffen

Voor kwantitatieve beschrijving van vloeicurves zijn diverse wiskundige modellen gangbaar:

  • Power-law (Ostwald-de Waele) — τ = K · γ̇n, waarbij K de consistentie-index is en n de stromingsindex. Voor n < 1 is het systeem shear-thinning, voor n > 1 shear-thickening, voor n = 1 Newtoniaans.
  • Herschel-Bulkley — τ = τ₀ + K · γ̇n; combineert zwichtspanning met power-law-gedrag. Geschikt voor cosmetische crèmes, voedingsgels en tandpasta.
  • Casson — geschikt voor monsters met zwichtspanning zoals chocolade, bloed en sommige drukinkten.
  • Carreau-Yasuda — beschrijft de volledige vloeicurve van polymeren met een plateau bij lage afschuifsnelheid (η₀), een shear-thinning-gebied en een plateau bij zeer hoge afschuifsnelheid (η∞).

Visco-elasticiteit en de moduli G′ en G″

Veel praktische materialen vertonen geen zuiver viskeus gedrag, maar een combinatie van viskeus en elastisch gedrag — visco-elasticiteit. Bij een kortdurende belasting reageert het materiaal elastisch (terugverend), bij een langdurende belasting vloeit het. Dit gedrag wordt gemeten met een oscillerende rheometer, die het monster onderwerpt aan een sinusvormige afschuifsnelheid.

Twee karakteristieke grootheden volgen uit zo'n oscillatiemeting:

  • Opslagmodulus G′: de elastische component, een maat voor de opgeslagen energie die het materiaal weer kan teruggeven.
  • Verliesmodulus G″: de viskeuze component, een maat voor de energie die door wrijving in warmte wordt omgezet.
  • Verliesfactor tan δ = G″ / G′: de verhouding bepaalt of het materiaal overwegend elastisch (tan δ < 1, gel-achtig) of overwegend viskeus (tan δ > 1, vloeistofachtig) is.

Deze visco-elastische karakterisering is essentieel in de farmacie (gels, zalven), de voedingsmiddelenindustrie (textuur), de polymeerverwerking en de bouwchemie.

Soorten oscillatiemetingen

Drie standaardtests vormen de basis van de visco-elastische karakterisering:

  • Amplitude-sweep — bij vaste frequentie wordt de amplitude opgevoerd om het lineair visco-elastisch gebied (LVE) te bepalen: het regime waarin G′ en G″ onafhankelijk zijn van de amplitude. Buiten het LVE breekt de monsterstructuur af; het einde van het plateau markeert vaak de zwichtspanning.
  • Frequentie-sweep — bij vaste amplitude binnen het LVE wordt de frequentie gevarieerd. Levert het frequentiespectrum van G′ en G″, dat informatie geeft over polymeer-molecuulgewicht, netwerkstructuur en relaxatietijden.
  • Temperatuursweep — bij vaste frequentie en amplitude wordt de temperatuur veranderd om gel-sol-overgangen, smeltovergangen en glastemperaturen te bepalen.

Hoe werkt een viscosimeter?

Een viscosimeter (of viscometer) is een instrument dat één viscositeitswaarde meet, doorgaans bij één afschuifsnelheid of onder gestandaardiseerde stroomcondities. Voor Newtoniaanse vloeistoffen levert dit een volledige karakterisering op; voor niet-Newtoniaanse vloeistoffen alleen een momentopname.

De drie meest gebruikte typen viscosimeters zijn:

Capillair-viscosimeter

Een capillair-viscosimeter — bijvoorbeeld het Ubbelohde- of het Ostwald-type — bestaat uit een glazen U-buis met een nauwkeurig gekalibreerd capillair en een meetbol. De vloeistof stroomt door het capillair onder invloed van de zwaartekracht, en gemeten wordt de tijd die een bepaald volume nodig heeft om door het capillair te lopen. De viscositeit wordt berekend volgens de wet van Hagen–Poiseuille. Capillair-viscosimeters leveren de kinematische viscositeit (mm²/s) en zijn extreem nauwkeurig voor laagviskeuze, Newtoniaanse vloeistoffen zoals oplosmiddelen, minerale oliën, biobrandstoffen en polymeeroplossingen. Voor capillair-viscosimetrie zijn temperatuurregulatie (waterbad) en een chronometer of automatische detectie nodig.

Rotatieviscosimeter

Een rotatieviscosimeter — bekend onder de naam Brookfield, maar ook geleverd door andere fabrikanten — meet het koppel dat nodig is om een spil (spindle) of cilinder met een vaste rotatiesnelheid door de vloeistof te bewegen. Uit het gemeten koppel en de bekende geometrie volgt de dynamische viscositeit (mPa·s of Pa·s). Rotatieviscosimeters zijn geschikt voor middel- tot hoogviskeuze monsters en kunnen door variatie van het toerental ook niet-Newtoniaans gedrag in kaart brengen. Toepassingen liggen in verf- en coatingformulering, voedingsmiddelen, lijmen, cosmetica en farmaceutische preparaten.

Kogelvalviscosimeter

Bij de kogelvalviscosimeter — het Höppler-type is het bekendste voorbeeld — valt een metalen kogel door een schuin geplaatste, met monster gevulde buis. De valtijd tussen twee meetstrepen is een directe maat voor de viscositeit. Deze methode is geschikt voor transparante, Newtoniaanse vloeistoffen in een breed viscositeitsbereik en wordt veel toegepast voor smeeroliën en suikeroplossingen.

Wat is een rheometer?

Een rheometer is een geavanceerder meetinstrument dat het volledige reologische gedrag van een monster in kaart brengt — niet alleen één viscositeitsgetal, maar de viscositeit als functie van afschuifsnelheid, tijd, temperatuur én oscillatiefrequentie. Het principe van een moderne rheometer is dat een rotatie- of oscillatie-element (cone-and-plate, plate-and-plate of concentrische cilinders) met regelbare snelheid of frequentie wordt aangedreven, terwijl tegelijkertijd het opgewekte koppel met hoge resolutie wordt gemeten. Hieruit volgen schuifspanning τ en afschuifsnelheid γ̇ — en daarmee η, G′, G″, tan δ en de zwichtspanning.

Een rheometer wordt onder meer gebruikt voor:

  • Karakterisering van polymeren, oplossingen, smelten en composieten.
  • Productontwikkeling van crèmes, gels, lotions en farmaceutische pasta's.
  • Onderzoek aan voedingsmiddelen: textuur, smeerbaarheid, stabiliteit van emulsies.
  • Kwaliteitscontrole van inkten, coatings, kleefstoffen, cement en boorvloeistoffen.
  • Reologische screening van biologische vloeistoffen (bloed, slijm, synoviale vloeistof).

Meetgeometrieën en monstervolumes

De keuze van meetgeometrie is bepalend voor het succesvol meten van een monster:

  • Cone-and-plate — een kegel met kleine tophoek (1–4°) tegen een vlakke plaat. Levert een homogene afschuifsnelheid over het hele monster, ideaal voor reologische karakterisering. Monstervolume: 0,5–2 ml.
  • Plate-and-plate (parallelle platen) — twee vlakke platen. Geeft een afschuifsnelheid die varieert met de straal, maar is geschikt voor monsters met grote deeltjes, gels en zachte vaste stoffen. Spleethoogte instelbaar (0,1–3 mm). Monstervolume: 1–3 ml.
  • Concentrische cilinders (Couette-geometrie) — een binnencilinder draait in een buitencilinder. Geschikt voor laagviskeuze en lichte suspensies. Monstervolume: 10–20 ml.
  • Double-gap — uitbreiding van de Couette voor zeer laagviskeuze vloeistoffen; vergroot het effectieve oppervlak en daarmee het meetsignaal.
  • Vane geometry — een schoepenrad in plaats van een cilinder; geschikt voor sterk gestructureerde monsters waarbij plaatsing een bijdrage levert tot structuurafbraak (yield-stressmaterialen, suspensies).

Temperatuurregeling: Peltier en waterbad

Doordat de viscositeit van vloeistoffen sterk temperatuurafhankelijk is, hoort temperatuurregeling onlosmakelijk bij elke serieuze viscositeitsmeting. Twee typen regeling worden gebruikt:

  • Thermostaatbad met circulatie — klassieke benadering bij capillair-viscometers en oudere rotatie-instrumenten. Het meetlichaam zit in een omhulsel waardoor een vloeistof van constante temperatuur stroomt. Stabiliteit typisch ± 0,1 °C.
  • Peltier-element — moderne, compacte halfgeleider-temperatuurregelaar gebaseerd op het Peltier-effect. Snel inregelbaar, stabiliteit ± 0,05 °C of beter, geen externe vloeistof nodig. Geschikt voor cone-and-plate- en parallelle-platen-geometrieën.
  • Geforceerd convectie-oven — voor hoge temperaturen (tot 600 °C) bij polymeersmelten en bitumen.

Het is essentieel dat het monster voldoende tijd krijgt om de ingestelde temperatuur aan te nemen voordat de meting begint, doorgaans 3–5 minuten voor dunne vloeistoffen en 10–15 minuten voor visceuze pasta's.

Verschil tussen viscosimeter en rheometer

Een viscosimeter meet uitsluitend de viscositeit, vaak bij één enkele afschuifsnelheid en bij één temperatuur. Een rheometer meet de viscositeit én alle andere reologische grootheden over een breed bereik van afschuifsnelheden, frequenties en temperaturen. In de praktijk wordt elke rheometer ook als viscosimeter ingezet, maar omgekeerd niet: een eenvoudige viscosimeter kan geen visco-elastische metingen verrichten en geen frequentiesweep uitvoeren. Voor Newtoniaanse vloeistoffen volstaat een viscosimeter; voor formuleringen, gels, suspensies en visco-elastische materialen is een rheometer noodzakelijk.

Het verschil tussen reologie en reometrie

Reologie is het vakgebied — de theorie van vervorming en stromen. Reometrie (reometrie) is de praktische tegenhanger: het meten van reologische grootheden met instrumenten. Een reogram (of vloeicurve) is een grafiek waarin de schuifspanning τ tegen de afschuifsnelheid γ̇ wordt uitgezet, en die typerend is voor het reologische gedrag van het monster — Newtoniaans, shear-thinning, shear-thickening of Bingham-plastisch.

Temperatuur en viscositeit

De viscositeit van vloeistoffen daalt sterk met de temperatuur — een verschil van 10 °C kan de viscositeit met tientallen procenten veranderen. Daarom moeten alle viscosimetrische metingen bij een gecontroleerde temperatuur worden uitgevoerd, doorgaans in een thermostaatbad of een Peltier-element. De gerapporteerde temperatuur (vaak 20 °C of 25 °C voor laboratoriumdoeleinden, 40 °C of 100 °C voor smeeroliën) hoort altijd bij de viscositeitswaarde. Voor oliën wordt de mate waarin de viscositeit met de temperatuur verandert uitgedrukt als viscositeitsindex (VI), genormeerd volgens ASTM D2270.

De temperatuurafhankelijkheid wordt vaak beschreven door een Arrhenius-vergelijking voor laagviskeuze vloeistoffen of een Williams-Landel-Ferry-vergelijking (WLF) voor polymeersmelten dichtbij de glastemperatuur.

Praktische aandachtspunten: slip, randeffecten en kalibratie

Voor betrouwbare reologische metingen zijn enkele veelvoorkomende foutbronnen het kennen waard:

  • Wandslip — bij niet-Newtoniaanse monsters (gels, suspensies, pasta's) kan een dunne, ontaarde laag aan het meetoppervlak ontstaan waardoor het monster lijkt te schuiven aan de wand in plaats van te vloeien. Symptomen: te lage gemeten viscositeit, niet-reproduceerbare resultaten. Oplossingen: gerild meetoppervlak, schoepengeometrie of optische tracers in het monster.
  • Randeffecten en uitdroging — bij cone-and-plate-geometrie kan het monster aan de rand verdampen tijdens lange metingen. Een solvent trap met verzadigde damp voorkomt dit.
  • Sedimentatie — suspensies kunnen tijdens een meting bezinken, waardoor de samenstelling op het meetoppervlak verandert. Vooraf homogeniseren en kort meten.
  • Trapping van luchtbellen — vooral bij visceuze monsters; ontluchten onder vacuüm of door rust voor meting.
  • Kalibratie — viscometers worden periodiek geverifieerd met gecertificeerde viscositeitsstandaarden (siliconenolieën, paraffineolie) volgens ASTM D2162 of ISO 17025. Voor torque-kalibratie van rheometers wordt een referentiegewicht gebruikt.

De Cox-Merz-regel

De empirische Cox-Merz-regel stelt dat de steady-state viscositeit als functie van afschuifsnelheid (η(γ̇)) gelijk is aan de complexe viscositeit als functie van oscillatiefrequentie (η*(ω)), bij gelijke numerieke waarden van γ̇ en ω. Voor veel polymeeroplossingen en -smelten geldt deze regel goed, wat betekent dat oscillatiemetingen (die het monster niet vernietigen) als alternatief kunnen dienen voor rotatiemetingen bij gevoelige systemen. Voor sterk gestructureerde of gevulde systemen geldt de regel niet en moet de steady-state-viscositeit rechtstreeks worden gemeten.

Praktische toepassingen

Viscosimetrie en reologie zijn onmisbaar in een breed scala van branches en toepassingen:

  • Farmacie: spuitbaarheid van injectievloeistoffen, uitsmeerbaarheid van zalven en crèmes, valgedrag van orale suspensies, gelvorming van hydrogels.
  • Voedingsmiddelenindustrie: textuur en mondgevoel van sauzen, dressings, yoghurt, chocolade en zuivelproducten.
  • Coatings en inkten: uitvloei, druppelvorming, pomp- en spuitbaarheid, anti-zakgedrag van pigmenten.
  • Polymeren: molecuulgewichtsbepaling via verdunde-oplossingsviscosimetrie, smeltgedrag van thermoplasten, vulkanisatiekinetiek van rubbers.
  • Petrochemie: kwalificatie van smeeroliën, brandstoffen en bitumen volgens genormeerde viscositeitsklassen (SAE, ISO VG).
  • Bouw- en proceschemie: verwerkbaarheid van mortels, cement, lijmen en kit.
  • Biotechnologie: stromingsgedrag van fermentatievloeistoffen en celkweekmedia, viscositeitstoename door biomassagroei.

Voor een betrouwbare meting zijn naast het juiste instrument een nauwkeurige temperatuurregeling, schone meetlichamen en gevalideerde monstervoorbereiding noodzakelijk. Belangrijk daarbij is dat het monstervolume voldoende is, dat luchtbellen worden vermeden en dat de meetgeometrie past bij het verwachte viscositeitsbereik.

Normen en richtlijnen

De belangrijkste internationale normen voor viscosimetrie zijn:

  • ISO 3104 / ASTM D445 — bepaling van kinematische viscositeit van vloeistoffen met capillair-viscometers.
  • ISO 2884 / ASTM D2196 — rotatie­viscometers voor verven, harsen en aanverwante producten.
  • ASTM D2270 — berekening van de viscositeitsindex (VI) van smeeroliën.
  • ISO 3219 — bepaling van viscositeit van polymeren en harsen met rotatie-rheometers (cone-and-plate).
  • Ph. Eur. 2.2.10 / USP <911> — viscositeit-methoden voor farmaceutische toepassingen.

Verwante onderwerpen in de kennisbank

Reologie raakt aan diverse aspecten van laboratoriumwerk en analytische chemie. Voor de zuiverheidsgraden van de oplosmiddelen en standaarden die in viscosimetrie en reologische karakterisering worden gebruikt, zie zuiverheidsgraden van chemicaliën. Voor de juiste opslag van organische oplosmiddelen en oliën met gevaarsindicatie, zie het artikel over PGS 15-opslag, en raadpleeg altijd het veiligheidsinformatieblad (VIB) van het te meten medium.

Voor het assortiment aan glaswerk en kunststof artikelen voor monstervoorbereiding kunt u terecht in onze categorieën glaswerk en porselein en laboratoriumplastics. Neem contact op voor advies over een viscosimetrische opstelling die past bij uw monstertype en toepassing.

Bestellijst

Uw winkelwagen is leeg.